Les 44 · Etappe 4: Tijden & modale werkwoorden
Present perfect
GemiddeldVorm & gebruik
have/has + voltooid deelwoord — iets uit het verleden dat nu nog telt
1.Vorm
De present perfect = have / has + voltooid deelwoord (V3). Has gebruik je bij he / she / it en enkelvoudige zelfstandige naamwoorden, have bij alle andere onderwerpen. In spreektaal trek je het bijna altijd samen: I've, you've, she's, they've.
| I / you / we / they | he / she / it | |
|---|---|---|
| Bevestigend | I've finished. | She's finished. |
| Ontkennend | I haven't finished. | She hasn't finished. |
| Vraag | Have you finished? | Has she finished? |
| Kort antwoord | Yes, I have. / No, I haven't. | Yes, she has. / No, she hasn't. |
's kan is of has zijn. Volgt er een voltooid deelwoord, dan is het has: She's gone = She has gone. Maar She's going = She is going.
2.Het voltooid deelwoord (V3)
Regelmatige werkwoorden: V3 is hetzelfde als de past simple, met -ed (work → worked, stop → stopped, study → studied). Onregelmatige werkwoorden moet je leren — bij veel daarvan is V3 anders dan de past simple, en daar gaat het meestal mis.
| Groep | Voorbeelden (V1 – V2 – V3) |
|---|---|
| V2 en V3 zijn hetzelfde | buy – bought – bought, have – had – had, make – made – made, tell – told – told, find – found – found |
| V3 eindigt op -n / -en | see – saw – seen, eat – ate – eaten, take – took – taken, write – wrote – written, ride – rode – ridden, fly – flew – flown |
| i – a – u | drink – drank – drunk, swim – swam – swum, begin – began – begun, sing – sang – sung |
| V3 is hetzelfde als V1 | come – came – come, become – became – become, run – ran – run, put – put – put |
| Bijzondere gevallen | be – was/were – been, go – went – gone, do – did – done |
Na have / has heb je altijd V3 nodig, niet de past simple: She has gone (niet has went), I've eaten (niet have ate). Leer bij een onregelmatig werkwoord meteen alle drie de vormen.
3.Wanneer je het gebruikt
De present perfect verbindt het verleden met het heden: er is iets gebeurd, maar de spreker denkt aan nu. Daarom zegt de zin meestal niet wanneer het gebeurde.
1. Een handeling in het verleden met een resultaat dat je nu ziet
I've lost my keys. I can't get into the house.
Ik ben mijn sleutels kwijt. Ik kan het huis niet in.
Someone has eaten my cake!
Iemand heeft mijn taart opgegeten!
The price of rice has gone up a lot.
De prijs van rijst is flink gestegen.
2. Nieuws en dingen die net gebeurd zijn — vaak met just
Guess what? Lan has passed her driving test!
Raad eens? Lan is geslaagd voor haar rijexamen!
The bus has just left. We'll have to wait for the next one.
De bus is net vertrokken. We moeten op de volgende wachten.
3. Ervaring tot nu toe — have you ever… / I've never…; wanneer het was, doet er niet toe
Have you ever been to Hoi An?
Ben je weleens in Hoi An geweest?
I've never eaten frog legs.
Ik heb nog nooit kikkerbilletjes gegeten.
This is the first time I've driven a car.
Dit is de eerste keer dat ik autorijd. (niet: the first time I drive)
4. Een periode die nog niet voorbij is: today, this week, this year, so far…
I've had three cups of coffee today.
Ik heb vandaag al drie koppen koffie gedronken. (de dag is nog niet voorbij)
We haven't had much rain so far this year.
Het heeft dit jaar tot nu toe niet veel geregend.
5. Een situatie die in het verleden begon en nog steeds zo is — met for, since, How long…?
We've lived in this flat since 2019.
We wonen sinds 2019 in dit appartement. (niet: We live here since 2019)
How long have you known Minh?
Hoe lang ken je Minh al?
They've been married for ten years.
Ze zijn al tien jaar getrouwd.
Let op, Nederlandse valkuil: in het Nederlands zeg je “Ik woon hier al vijf jaar” — in de tegenwoordige tijd. Het Engels heeft hier de present perfect nodig: I have lived here for five years (niet I live here since five years). En andersom: de Nederlandse voltooide tijd (“Ik heb haar gisteren ontmoet”) is vaak geen present perfect. Met een afgesloten tijd zoals yesterday gebruikt het Engels de past simple — I met her yesterday.
4.Gone of been
Go heeft twee deelwoorden met een verschillende betekenis: has gone (to) = is ergens heen gegaan en nog niet terug (is daar of onderweg); has been (to) = is er geweest en is teruggekomen — vaak voor ervaringen.
Mai isn't here. She's gone to the post office.
Mai is er niet. Ze is naar het postkantoor. (ze is nog niet terug)
I've been to the post office. Here are your stamps.
Ik ben bij het postkantoor geweest. Hier zijn je postzegels.
Have you ever been to Japan?
Ben je weleens in Japan geweest?
5.Present perfect of past simple?
Staat er in de zin een afgesloten tijd (yesterday, last week, in 2019, three days ago, when I was a child), dan gebruik je de past simple, niet de present perfect — ook als het resultaat er nog is.
| Present perfect | Past simple |
|---|---|
| I've lost my phone. | I lost my phone yesterday. |
| Have you ever been to Da Lat? | When did you go to Da Lat? |
| She's worked here since 2020. | She worked here from 2018 to 2020. |
Dit wordt uitgebreid uitgelegd in de les “Present perfect vs past simple”. Just / already / yet / ever hebben een eigen les, “Present perfect met just / already / yet / ever”, en for / since / ago vind je in “For / since / ago”.
6.Veelgemaakte fouten
I live here since I was a child.I have lived here since I was a child.
since (van toen tot nu) vraagt om de present perfect.
She has went home.She has gone home.
has + V3 (gone), niet de past simple.
I have seen him yesterday.I saw him yesterday.
yesterday is een afgesloten tijd → past simple.
How long do you know Minh?How long have you known Minh?
Je vraagt hoe lang tot nu toe → present perfect.
This is the first time I visit Hue.This is the first time I've visited Hue.
Na this is the first time gebruik je de present perfect.
He have finished his homework.He has finished his homework.
he/she/it → has.
Voorbeelden
- We have lived in this flat since 2019.
- I haven't finished the report yet.
- My parents have never been abroad.
- My sister has just bought a new laptop.
