Les 7 · Etappe 1: De basis
Vragen met do / does / did
BeginnerQuestions with do / does / did
Vorm & gebruik
do/does/did + onderwerp + werkwoord — een vraag in de eenvoudige tijden
1.Wanneer je do / does / did nodig hebt
In een zin met een gewoon werkwoord (work, like, go, want…) kun je dat werkwoord niet naar voren halen om een vraag te maken — anders dan in het Nederlands (“Werk je…?”). In plaats daarvan leen je het hulpwerkwoord do / does / did.
| Tijd | Onderwerp | Hulpwerkwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| Tegenwoordige tijd | I / you / we / they | do | Do you like spicy food? |
| Tegenwoordige tijd | he / she / it | does | Does your brother drive? |
| Verleden tijd | alle onderwerpen | did | Did they call you? |
Zinnen met be, can, will, have got, should… gebruiken geen do — daar zet je dat werkwoord gewoon vooraan: Are you ready? Can she swim? Have you got a pen?
2.Woordvolgorde
(Vraagwoord) + do / does / did + onderwerp + grondvorm + de rest?
| Vraagwoord | Hulpwerkwoord | Onderwerp | Werkwoord | … |
|---|---|---|---|---|
| Do | you | live | near here? | |
| Where | does | your sister | work? | |
| What time | did | you | get | home? |
| How often | do | they | visit | you? |
| Why | didn't | he | come? |
Het hulpwerkwoord draagt de tijd en de persoon (does = tegenwoordige tijd, he/she/it; did = verleden tijd), dus het hoofdwerkwoord staat altijd in de grondvorm: Does she speak…? Did you see…?
3.Vragen die eindigen op een voorzetsel
In alledaagse vragen staat een voorzetsel dat bij het werkwoord hoort meestal aan het eind.
Who do you live with?
Met wie woon je samen?
Where does she come from?
Waar komt ze vandaan?
What did you talk about?
Waar hadden jullie het over?
4.Ontkennende vragen
Met don't / doesn't / didn't laat je verbazing zien of verwacht je dat de ander het met je eens is.
Don't you like it?
Vind je het niet leuk?
Why didn't you tell me?
Waarom heb je het me niet verteld?
5.Als who / what het onderwerp is
Als who / what de persoon of het ding is dat de handeling uitvoert (het onderwerp), heeft de vraag geen do/does/did en blijft het werkwoord zoals in een gewone zin. Zie ook de les “Onderwerps- en voorwerpsvragen”.
Who called you?
Wie heeft je gebeld? (who = degene die belt; niet: Who did call you?)
Who did you call?
Wie heb je gebeld? (who = degene die gebeld wordt)
What happened?
Wat is er gebeurd?
6.Veelgemaakte fouten
You like pho?Do you like pho?
In geschreven Engels heb je het hulpwerkwoord nodig (zonder kan alleen in losse spreektaal).
Where she works?Where does she work?
does ontbreekt en de woordvolgorde klopt niet.
Did you went out?Did you go out?
Na did komt de grondvorm.
Do you can help me?Can you help me?
Bij can geen do.
Does she is a doctor?Is she a doctor?
Bij be geen do.
Voorbeelden
- Does your sister work in a bank now?
- How often do you eat out?
- Do you have a pen I can borrow?
- Do you like spicy food?
