Les 10 · Etappe 1: De basis
Kunnen met “can / could”
BeginnerAbility with “can / could”
Vorm & gebruik
can/could + werkwoord — wat iemand kan, of vroeger kon
1.Vorm
Can + grondvorm (zonder to). Can is een modaal werkwoord: het is voor elk onderwerp hetzelfde, krijgt nooit een -s en gebruikt in vragen geen do.
| Voorbeelden | |
|---|---|
| Bevestigend | I / you / he / she / we / they can swim. |
| Ontkennend | can't (= cannot, één woord) swim |
| Vraag | Can you swim? · What can you see? |
| Kort antwoord | Yes, I can. / No, I can't. |
can en can't uit elkaar horen: in een bevestigende zin is can zwak /kən/ en krijgt het werkwoord erna de klemtoon (I can SWIM). Can't heeft altijd klemtoon: /kɑːnt/ (UK) of /kænt/ (US) — I CAN'T swim.
2.Wanneer je het gebruikt
1. Vaardigheden — weten hoe je iets doet
My grandma can speak French.
Mijn oma spreekt Frans.
I can't ride a motorbike.
Ik kan geen motor rijden.
2. Mogelijkheid in een situatie — als de omstandigheden het toelaten
You can see the whole city from the rooftop.
Vanaf het dak kun je de hele stad zien.
We can't go out — it's pouring.
We kunnen niet naar buiten — het giet.
3. Toestemming vragen, geven en weigeren
Can I sit here?
Mag ik hier zitten?
You can't park in front of the gate.
Je mag niet voor het hek parkeren.
4. Iemand vragen iets te doen (informeel)
Can you pass me the salt?
Kun je me het zout even aangeven?
3.can see, can hear…
Bij de zintuigen see, hear, smell, taste, feel en bij remember, understand gebruikt het Engels vaak can in plaats van de continuous.
I can hear music next door.
Ik hoor muziek bij de buren. (niet: I'm hearing)
Can you smell something burning?
Ruik jij dat er iets aanbrandt?
4.Verleden tijd: could / couldn't
Could = algemeen kunnen in het verleden (iets een tijd lang kunnen). Couldn't = iets niet kunnen.
She could read when she was four.
Toen ze vier was, kon ze al lezen.
I couldn't sleep last night. It was too hot.
Ik kon vannacht niet slapen. Het was te warm.
Wil je zeggen dat één bepaalde keer iets specifieks gelukt is, gebruik dan was / were able to of managed to, niet bevestigend could:
The exam was hard, but I managed to finish it.
Het examen was moeilijk, maar het is me gelukt om het af te maken. (niet: I could finish it)
The fire spread quickly, but everyone was able to get out.
Het vuur verspreidde zich snel, maar iedereen kon op tijd naar buiten.
In de ontkenning werkt couldn't voor allebei: I tried, but I couldn't open the jar.
5.Can heeft geen toekomende of voltooide vorm
Anders dan het Nederlandse “kunnen” heeft can maar twee vormen: can en could. “will can”, “to can” of “have could” bestaan niet. Heb je zo'n vorm nodig, gebruik dan be able to — zie de volgende les.
One day I'll be able to speak English fluently.
Ooit zal ik vloeiend Engels kunnen spreken.
I'd love to be able to cook.
Ik zou zo graag kunnen koken.
6.Veelgemaakte fouten
He cans play the guitar.He can play the guitar.
can krijgt nooit een -s.
I can to swim.I can swim.
Na can geen to.
Do you can help me?Can you help me?
Bij can geen do.
I will can come tomorrow.I'll be able to come tomorrow.
Voor de toekomst gebruik je will be able to.
She can sings well.She can sing well.
Na can komt de grondvorm.
Voorbeelden
- My little sister is five, but she can swim very well.
- Sorry, I can't hear you. The music is too loud.
- Can you speak Japanese?
- A: Can your dad cook? B: Yes, he can. He makes great fish soup.
