Les 11 · Etappe 1: De basis
“Be able to”
BeginnerVorm & gebruik
be able to + werkwoord — kunnen, in elke tijd
1.Vorm
be able to + grondvorm — iets kunnen, in staat zijn om iets te doen. Alleen be verandert met de tijd (am / is / are, was / were, will be, have been…); able to en het werkwoord erna blijven hetzelfde.
| Tijd | Bevestigend | Ontkennend | Vraag |
|---|---|---|---|
| Tegenwoordige tijd | She's able to walk again. | She isn't able to walk. | Is she able to walk? |
| Verleden tijd | We were able to help. | We weren't able to help. | Were you able to help? |
| Toekomende tijd | I'll be able to come. | I won't be able to come. | Will you be able to come? |
| Present perfect | I've been able to save a bit. | I haven't been able to sleep. | Have you been able to rest? |
Korte antwoorden herhalen be / will / have: Yes, I was. / No, I won't. / No, I haven't. De ontkenning kan ook unable to zijn (wat formeler): I'm unable to attend the meeting.
Able is een bijvoeglijk naamwoord (zoals tired of happy), dus er moet altijd be voor staan — net zoals je I am tired zegt. Leerlingen schrijven vaak “I able to…” of “I don't able to…”. Goed is: I'm able to… / I'm not able to…
2.Wanneer je be able to nodig hebt
Zoals je in de les “Kunnen met ‘can / could’” hebt gezien, heeft can maar twee vormen: can en could. Overal anders gebruik je be able to in plaats van can.
1. De toekomst — will be able to / won't be able to
After this course, you'll be able to order food in English.
Na deze cursus kun je in het Engels eten bestellen.
Sorry, I won't be able to make it on Saturday.
Sorry, zaterdag lukt het me niet.
Als je nu iets afspreekt of beslist voor later, is can nog steeds heel natuurlijk: I can see you tomorrow at ten. Maar als het vermogen er nog niet is en pas later komt (na een cursus, als het beter met je gaat, zodra je een auto hebt…), gebruik dan will be able to.
2. Voltooide tijden — have / has been able to
I haven't been able to reach him all day.
Ik heb hem de hele dag niet kunnen bereiken.
Since she got glasses, she's been able to read the board clearly.
Sinds ze een bril heeft, kan ze het bord goed lezen.
3. Na een ander modaal werkwoord — might / may / should / must + be able to (twee modale werkwoorden kunnen niet samen)
Ask Minh — he might be able to fix it.
Vraag het aan Minh — misschien kan hij het repareren. (niet: might can)
Nurses must be able to stay calm.
Verpleegkundigen moeten rustig kunnen blijven.
4. Na to en in de -ing-vorm — to be able to, being able to
I want to be able to talk to my customers in English.
Ik wil met mijn klanten in het Engels kunnen praten.
Being able to drive makes life much easier.
Kunnen autorijden maakt het leven een stuk makkelijker.
Hetzelfde geldt voor used to: My grandpa used to be able to walk for hours. (Vroeger kon hij dat — nu niet meer.)
3.Tegenwoordige tijd: can of am / is / are able to?
In de tegenwoordige tijd zijn ze allebei goed, maar in gesprekken is can veel gewoner. Am / is / are able to klinkt formeler — je ziet het in e-mails en mededelingen — of benadrukt dat iemand na een verandering iets nu kan.
I can speak a little Japanese.
Ik spreek een beetje Japans. (zo zeg je het in het dagelijks leven)
Customers are able to change their booking online.
Klanten kunnen hun boeking online wijzigen. (mededeling / formeel)
After the operation, Grandpa is able to walk again.
Na de operatie kan opa weer lopen. (nadruk: nu kan hij het weer)
4.Verleden tijd: could, was able to of managed to?
| Wat je bedoelt | Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Algemeen vermogen over een periode (je wist hoe het moest) | could of was / were able to | At ten, I could swim a kilometre. |
| Eén bepaald ding op één bepaald moment voor elkaar krijgen | was / were able to, managed to (niet could) | The road was flooded, but we were able to get home. |
| Iets niet voor elkaar krijgen (allebei) | couldn't of wasn't / weren't able to | I couldn't find a parking space. |
Minh could run really fast when he was a kid.
Als kind kon Minh heel hard rennen. (algemeen vermogen)
Yesterday Minh managed to catch the last train.
Gisteren heeft Minh de laatste trein nog gehaald. (één bepaalde keer; niet: could catch)
It was a tough match, but we were able to win.
Het was een zware wedstrijd, maar we hebben hem toch weten te winnen.
The box was heavy, but I managed to carry it upstairs.
De doos was zwaar, maar het is me gelukt om hem naar boven te dragen.
Managed to + grondvorm benadrukt dat het moeilijk was en moeite kostte. Ontkennend: didn't manage to (= couldn't).
Uitzondering: bij see, hear, smell, taste, feel, understand, remember kan could ook voor één bepaalde keer: When I opened the door, I could smell smoke.
Snelle test: als je “in the end” of “on that day” aan de zin kunt toevoegen, gaat het om één bepaalde keer → was able to / managed to. Bedoel je “toen wist ik hoe…” → could. Let op: in het Nederlands zeg je in beide gevallen “kon” — in het Engels niet.
5.Veelgemaakte fouten
I able to swim.I'm able to swim.
Able is een bijvoeglijk naamwoord — er moet be bij.
We weren't able find the hotel.We weren't able to find the hotel.
Na able komt altijd to.
I don't able to come.I'm not able to come.
De ontkenning maak je met be + not, niet met don't.
I hope I can be able to visit you.I hope I'll be able to visit you.
Gebruik can en be able to niet samen.
The bus was late, but I could arrive on time.The bus was late, but I managed to arrive on time.
Eén bepaalde keer → managed to / was able to, niet could.
She has able to drive since last year.She has been able to drive since last year.
Present perfect: has been able to.
Voorbeelden
- I'm sorry, I won't be able to come to your party on Saturday.
- The lift is broken, so Grandma isn't able to get up to her flat on the ninth floor.
- She was able to swim when she was five.
- We weren't able to find a taxi, so we walked home.
