Alle grammaticalessen

Les 35 · Etappe 3: Plannen, verzoeken & vergelijken

Geen verplichting: don't have to / needn't

Gemiddeld

No obligation: don't have to / needn't

Vorm & gebruik

don't have to / don't need to / needn't + werkwoord — iets is niet nodig

1.Vorm

Om te zeggen dat iets niet nodig is (het mag, maar het hoeft niet), gebruik je don't have to, don't need to of needn't + grondvorm.

VormVoorbeeldOpmerking
don't / doesn't have toYou don't have to pay. · Thu doesn't have to work on Sundays.het gebruikelijkst; past in elke situatie
don't / doesn't need toWe don't need to hurry.zelfde betekenis als don't have to; to blijft staan
needn'tYou needn't wait for me.geen to, geen -s; wat formeel, vooral Brits
didn't have to / didn't need toWe didn't have to queue.verleden tijd
won't have to / won't need toWe won't have to take the ferry any more.toekomst

needn't werkt als een modaal werkwoord (geen -s, geen to): He needn't come. need als gewoon werkwoord krijgt to en do: He doesn't need to come. Haal de twee niet door elkaar (niet needn't to, niet doesn't need come).

2.Wanneer je het gebruikt

1. Iets is vrijblijvend — het mag als je wilt

  • You don't have to come with me. I can go alone.

    Je hoeft niet met me mee te komen. Ik kan alleen gaan.

  • It's Sunday tomorrow, so I don't have to get up early.

    Morgen is het zondag, dus ik hoef niet vroeg op te staan.

2. Door de situatie hoeft iemand iets niet te doen

  • Thu doesn't have to pay rent. She lives with her parents.

    Thu hoeft geen huur te betalen. Ze woont bij haar ouders.

  • The test is open-book, so you don't need to learn the dates by heart.

    Het is een openboektoets, dus je hoeft de jaartallen niet uit je hoofd te leren.

3. Iemand zeggen dat hij geen moeite hoeft te doen — beleefd en vriendelijk

  • You don't have to bring anything. Just come!

    Je hoeft niets mee te nemen. Kom gewoon!

  • You needn't worry. Everything is ready.

    Je hoeft je geen zorgen te maken. Alles is klaar.

  • You don't have to shout. I can hear you.

    Je hoeft niet te schreeuwen. Ik kan je horen. (eigenlijk bedoeld als: hou alsjeblieft op met schreeuwen)

4. Vragen of iets nodig is

  • Do I have to bring my passport? — No, you don't.

    Moet ik mijn paspoort meenemen? — Nee, dat hoeft niet.

  • Do we need to book? — No, you don't need to. Just walk in.

    Moeten we reserveren? — Nee, dat hoeft niet. Loop gewoon binnen.

3.Don't have to of mustn't?

Ze lijken op elkaar, maar betekenen iets heel anders:

Betekenis
You don't have to tell him.Het is niet nodig om het hem te vertellen (maar het mag wel).
You mustn't tell him.Vertel het hem niet — dat mag niet.
  • You don't have to pay for the drinks. They're free.

    Je hoeft niet te betalen voor de drankjes. Die zijn gratis.

  • You mustn't park here. It's for ambulances only.

    Je mag hier niet parkeren. Het is alleen voor ambulances.

Snelle test: past “…maar het mag als je wilt” erbij, gebruik dan don't have to. Bedoel je “het is verboden”, gebruik dan mustn't. Handig ezelsbruggetje: “hoeft niet” = don't have to, “mag niet” = mustn't.

4.Over het verleden praten

In het verleden gebruik je didn't have to of didn't need to: het was niet nodig.

  • The bus was almost empty, so we didn't have to stand.

    De bus was bijna leeg, dus we hoefden niet te staan.

  • Lan didn't need to cook — her mum had made dinner.

    Lan hoefde niet te koken — haar moeder had het eten al gemaakt.

Als iets wel gedaan is maar onnodig bleek, kan het Brits-Engels needn't have + voltooid deelwoord gebruiken. In de dagelijkse spreektaal zeggen veel mensen gewoon didn't need to.

  • Oh, you needn't have bought milk — I got some this morning.

    O, je had geen melk hoeven kopen — ik had vanochtend al wat gehaald. (je hebt het gekocht, maar het was niet nodig)

5.Veelgemaakte fouten

  • You mustn't pay for the drinks. They're free.

    You don't have to pay for the drinks. They're free.

    Niet nodig → don't have to; mustn't betekent verboden.

  • He don't have to work on Saturdays.

    He doesn't have to work on Saturdays.

    he/she/it → doesn't.

  • She doesn't has to cook tonight.

    She doesn't have to cook tonight.

    Na doesn't gebruik je have, niet has.

  • You needn't to call me first.

    You needn't call me first.

    Geen to na needn't.

  • You don't need bring anything.

    You don't need to bring anything.

    don't need heeft to nodig.

  • We haven't to wait.

    We don't have to wait.

    De ontkenning van have to maak je met don't.

Voorbeelden

  • It's Sunday tomorrow, so I don't have to get up early.
  • Thu doesn't have to worry about rent. She lives with her parents.
  • We don't need to hurry. The film starts at nine.
  • You don't have to take your shoes off. Come in!
AI luistert...•4.7/5 in de App Store & Google Play

Spreek Engels met AI 24/7

Download de app — directe uitspraakbeoordeling, natuurlijke gesprekken, correcties zoals een echte tutor.

AI-uitspraakbeoordelingDirecte feedbackNatuurlijke gesprekken