Les 34 · Etappe 3: Plannen, verzoeken & vergelijken
Verplichting: must / have to / need to
BeginnerObligation: must / have to / need to
Vorm & gebruik
zeggen dat iets nodig is
1.Vorm
Drie manieren om te zeggen dat iets nodig is: must, have to, need to — allemaal + grondvorm. Must is een modaal werkwoord; have to en need to werken als gewone werkwoorden.
| must | have to | need to | |
|---|---|---|---|
| Bevestigend | I / she must go. | I have to go. · She has to go. | I need to go. · She needs to go. |
| Ontkennend | mustn't go (= doe het niet) | don't / doesn't have to go (= niet nodig) | don't / doesn't need to go (= niet nodig) |
| Vraag | Must I go? (zeldzaam) | Do I have to go? · Does she have to go? | Do I need to go? |
| Verleden tijd | — (gebruik had to) | had to go | needed to go |
Must krijgt nooit -s, to of do: She must go. Bij have to / need to is het andersom: She has to go. Does she need to go?
2.Wanneer je ze gebruikt
1. have to — nodig vanwege regels, werk of omstandigheden (een feit, niet de mening van de spreker)
I have to wear a uniform at work.
Op mijn werk moet ik een uniform dragen.
Linh has to take two buses to get to school.
Linh moet twee bussen nemen om op school te komen.
Do you have to work on Sundays?
Moet jij op zondag werken?
2. must — de spreker vindt het zelf nodig: een herinnering aan jezelf of een sterke aanbeveling
It's late. I must go.
Het is laat. Ik moet gaan.
I must call my grandma this weekend.
Ik moet dit weekend echt mijn oma bellen.
You must try the coconut coffee here — it's amazing!
Je moet de kokoskoffie hier proberen — die is geweldig!
3. must — geschreven regels, borden en instructies
All visitors must sign in at the front desk.
Alle bezoekers moeten zich melden bij de receptie.
Passengers must keep their bags with them at all times.
Passagiers moeten hun bagage altijd bij zich houden.
4. need to — iets is nodig voor een doel of vanwege de situatie
My phone is almost dead. I need to charge it.
Mijn telefoon is bijna leeg. Ik moet hem opladen.
Do we need to book a table, or can we just walk in?
Moeten we een tafel reserveren, of kunnen we gewoon binnenlopen?
5. have got to — hetzelfde als have to, heel gewoon in informele spreektaal
Sorry, I've got to go — my bus is leaving.
Sorry, ik moet gaan — mijn bus vertrekt zo.
In het Amerikaans-Engels klinkt must voor een verplichting vrij sterk en formeel; Amerikanen zeggen meestal have to of have got to (gotta). Twijfel je, dan is have to bijna altijd goed.
3.Andere tijden: gebruik have to
Must heeft maar één vorm en gaat alleen over het heden of de toekomst. Voor het verleden, na will / might, in de present perfect of na een ander werkwoord gebruik je have to.
| Tijd / vorm | Voorbeeld |
|---|---|
| Verleden tijd | I had to wait an hour for the bus. |
| Toekomst | Prices go up next month, so we'll have to pay more. |
| Might have to | We might have to sell the car. |
| Present perfect | I've had to wear glasses since I was ten. |
| Na een ander werkwoord | I hate having to get up in the dark. |
4.Mustn't is heel iets anders dan don't have to
| Betekenis | Voorbeeld | |
|---|---|---|
| mustn't | doe het niet — het mag niet | You mustn't smoke in here. It's a hospital. |
| don't have to / don't need to | het is niet nodig — het mag als je wilt | You don't have to bring food. There's plenty. |
You mustn't touch the paintings.
Je mag de schilderijen niet aanraken.
You don't have to take your shoes off. Come in!
Je hoeft je schoenen niet uit te doen. Kom binnen!
Let op: mustn't = “mag niet” (het is verboden); don't have to = “hoeft niet” (het is vrijblijvend). Verwar ze niet — en vertaal “moet niet” dus niet automatisch met mustn't. Zie ook de les “Geen verplichting: don't have to / needn't”.
5.Veelgemaakte fouten
You must to turn off your phone in class.You must turn off your phone in class.
Geen to na must.
She have to finish her homework.She has to finish her homework.
he/she/it → has to.
Last week I must work every evening.Last week I had to work every evening.
Voor het verleden gebruik je had to.
Do you must wear a helmet?Do you have to wear a helmet?
Gebruik geen do met must; vraag Do you have to…?
We will must show our passports.We will have to show our passports.
Toekomst: will have to.
She needs wear a uniform.She needs to wear a uniform.
need als gewoon werkwoord → need to + werkwoord.
Voorbeelden
- All students must wear a uniform at this school.
- My brother has to work on Saturdays.
- Did you have to pay for the tickets?
- Yesterday I had to stay late at the office to finish a report.
