Alle grammaticalessen

Les 14 · Etappe 1: De basis

Past continuous

Gemiddeld

Vorm & gebruik

was/were + -ing — iets dat op een moment in het verleden bezig was

1.Vorm

De past continuous = was / were + -ing. Was hoort bij I / he / she / it, were bij you / we / they. De -ing zet je er op dezelfde manier achter als bij de present continuous (zie de les “Present continuous”).

OnderwerpBevestigendOntkennendVraag
I / he / she / itshe was workingshe wasn't workingWas she working?
we / you / theythey were workingthey weren't workingWere they working?

Met een vraagwoord: What were you doing? Who was she talking to? Korte antwoorden: Yes, I was. / No, they weren't.

2.Wanneer je het gebruikt

1. Een handeling die op een moment in het verleden aan de gang was — ze was vóór dat moment begonnen en nog niet klaar. Vaak met at 9 o'clock last night, at this time yesterday.

  • At nine last night, I was watching a football match.

    Gisteravond om negen uur zat ik naar een voetbalwedstrijd te kijken.

  • What were you doing at this time yesterday?

    Wat was je gisteren rond deze tijd aan het doen?

2. De situatie schetsen aan het begin van een verhaal

  • It was raining, and people were hurrying home.

    Het regende en de mensen haastten zich naar huis.

  • The sun was shining and the kids were playing on the beach.

    De zon scheen en de kinderen speelden op het strand.

3. Twee langere handelingen tegelijk — vaak verbonden met while

  • While I was cooking, my husband was setting the table.

    Terwijl ik aan het koken was, dekte mijn man de tafel.

  • Lan was studying while her brother was playing games.

    Lan zat te studeren terwijl haar broer aan het gamen was.

Zie de past continuous als “midden in” iets op een moment in het verleden: gisteravond om negen zat ik midden in een voetbalwedstrijd = I was watching football. De past simple is voor de hele, afgeronde handeling. In het Nederlands zeg je hier vaak “was aan het …” of “zat te …”.

3.Past continuous vs past simple

De twee tijden werken vaak samen in één zin: de past continuous voor de langere handeling die bezig is, de past simple voor de korte handeling die haar onderbreekt.

  • I was having a shower when the phone rang.

    Ik stond onder de douche toen de telefoon ging.

  • We were driving home when we saw the accident.

    We reden naar huis toen we het ongeluk zagen.

  • When I arrived, they were eating dinner.

    Toen ik aankwam, zaten ze te eten.

Een andere tijd geeft een andere betekenis:

ZinBetekenis
When Mum came home, we were cooking.We waren midden in het koken toen mam thuiskwam.
When Mum came home, we cooked.Mam kwam eerst thuis, daarna gingen we koken (na elkaar).

Voor handelingen die na elkaar gebeuren, gebruik je voor allemaal de past simple: She got up, had breakfast and left.

4.When of while?

  • while + de langere handeling (meestal past continuous): While I was walking home, it started to rain.
  • when + de korte handeling (meestal past simple): I was walking home when it started to rain.
  • When kan ook bij de langere handeling staan (When I was walking home, …), maar while hoort meestal bij iets wat een tijd duurt; voor een handeling die in één moment gebeurt, gebruik je when: “when I opened the door”, niet “while I opened the door”.
  • Staat het deel met when / while vooraan, dan zet je een komma: While she was sleeping, someone called. Staat het achteraan, dan meestal niet: Someone called while she was sleeping.

While (+ bijzin) is iets anders dan during (+ zelfstandig naamwoord) — zie de les “During of while”.

5.Toestandswerkwoorden

Net als in de tegenwoordige tijd staan toestandswerkwoorden zoals know, want, like, need, believe, understand, own meestal niet in de continuous, ook niet als het om een moment in het verleden gaat — gebruik de past simple.

  • I didn't understand what he was saying.

    Ik begreep niet wat hij zei. (niet: wasn't understanding)

  • We wanted to leave, but it was still raining.

    We wilden weg, maar het regende nog steeds.

6.Veelgemaakte fouten

  • I was cook dinner when you called.

    I was cooking dinner when you called.

    Na was komt de -ing-vorm.

  • They was playing football.

    They were playing football.

    they → were.

  • I watched TV when the lights went out.

    I was watching TV when the lights went out.

    De langere, onderbroken handeling → past continuous.

  • Were you sleep when I called?

    Were you sleeping when I called?

    was / were + -ing.

  • I was knowing the answer.

    I knew the answer.

    know is een toestandswerkwoord → past simple.

  • What did you doing at eight last night?

    What were you doing at eight last night?

    De past continuous gebruikt was / were, niet did.

Voorbeelden

  • While I was cooking dinner, my brother was doing his homework.
  • The children were playing football in the yard when it suddenly started to rain.
  • Were you sleeping when I called? — No, I wasn't. I was taking a shower.
  • We were sitting in a café when the storm started.
AI luistert...•4.7/5 in de App Store & Google Play

Spreek Engels met AI 24/7

Download de app — directe uitspraakbeoordeling, natuurlijke gesprekken, correcties zoals een echte tutor.

AI-uitspraakbeoordelingDirecte feedbackNatuurlijke gesprekken