Les 15 · Etappe 2: Alledaagse woorden: voornaamwoorden, lidwoorden, voorzetsels
Voornaamwoorden en bezittelijke vormen: I / me / my / mine
BeginnerPronouns and possessives: I / me / my / mine
Vorm & gebruik
I–me–my–mine, Lan's, a friend of mine, my own — wie iets doet en van wie het is
1.Alle voornaamwoorden op een rij
In het Engels verandert een voornaamwoord van vorm afhankelijk van zijn rol in de zin: onderwerp, voorwerp of bezitter.
| Onderwerp | Voorwerp | Bezittelijk + zelfst. naamwoord | Bezittelijk, zelfstandig gebruikt |
|---|---|---|---|
| I | me | my | mine |
| you | you | your | yours |
| he | him | his | his |
| she | her | her | hers |
| it | it | its | — (wordt bijna nooit gebruikt) |
| we | us | our | ours |
| they | them | their | theirs |
Ezelsbruggetje: de meeste vormen in de laatste kolom zijn gewoon kolom 3 + -s: your → yours, her → hers, our → ours, their → theirs. De uitzonderingen zijn my → mine, en his, dat hetzelfde blijft.
2.Onderwerp of voorwerp: I of me?
Onderwerpsvormen (I, he, she, we, they) staan vóór het werkwoord — zij doen de handeling. Voorwerpsvormen (me, him, her, us, them) staan na het werkwoord of na een voorzetsel (for, with, to, at, about…).
She loves him, but he doesn't love her.
Zij houdt van hem, maar hij houdt niet van haar.
Can you help me with this box?
Kun je me helpen met deze doos?
This present is for you.
Dit cadeau is voor jou.
We're going to the beach. Why don't you come with us?
We gaan naar het strand. Waarom ga je niet met ons mee?
Who's there? — It's me.
Wie is daar? — Ik ben het. (in alledaags Engels zeg je hier me, niet It's I)
Als twee personen met and verbonden zijn, geldt dezelfde regel: I als onderwerp, me als voorwerp.
Nam and I play badminton on Sundays.
Nam en ik spelen op zondag badminton. (onderwerp → I)
Mum bought ice cream for my brother and me.
Mama heeft ijs gekocht voor mijn broer en mij. (na het voorzetsel for → me)
Twijfel je tussen I en me? Laat de andere persoon weg en test het: “Mum bought ice cream for me” ✓ — niemand zegt “for I”, dus “for my brother and me” is goed. In informele spreektaal zeggen veel moedertaalsprekers “Me and Nam played…”, maar in geschreven en formele taal gebruik je Nam and I.
3.My of mine?
my, your, his, her, its, our, their staan altijd vóór een zelfstandig naamwoord. mine, yours, his, hers, ours, theirs staan op zichzelf en vervangen het hele “my + zelfstandig naamwoord” (zoals “de mijne”).
This is my phone. = This phone is mine.
Dit is mijn telefoon. = Deze telefoon is van mij.
Is this your umbrella or hers?
Is dit jouw paraplu of die van haar?
Our garden is small, but theirs is huge.
Onze tuin is klein, maar die van hen is enorm.
The cat is licking its paw.
De kat likt haar poot.
- his / her hangt af van de bezitter, niet van het ding: Lan and her brother (Lan is een vrouw → her), Minh and his sister (Minh is een man → his).
- Bezittelijke voornaamwoorden hebben geen apostrof: yours, hers, ours, theirs (niet your's, her's).
- its = zijn/haar (van it); it's = it is / it has. The dog wagged its tail. / It's raining.
- Zet geen the of a vóór my/mine: my book (niet the my book).
4.Namen en zelfstandige naamwoorden: Lan's
Bij namen en woorden voor personen zet je 's erachter om te laten zien van wie iets is. Bij meervouden die al op -s eindigen, komt er alleen een apostrof ( ' ) bij. Om te vragen van wie iets is, gebruik je Whose…? (niet verwarren met Who's = who is).
This is Lan's room.
Dit is de kamer van Lan.
My parents' house is in Hue.
Het huis van mijn ouders staat in Hue. (meervoud eindigt al op -s → alleen ' erbij)
Whose umbrella is this? — It's Minh's.
Van wie is deze paraplu? — Van Minh.
Who's that man next to your dad?
Wie is die man naast je vader? (Who's = Who is)
Wanneer je 's gebruikt en wanneer of (the name of the song), lees je in de les “-'s of of”.
5.A friend of mine, my own
a / an + zelfstandig naamwoord + of mine / yours / hers / Lan's… betekent “een van mijn / jouw… (vrienden, neven…)”. Je kunt niet “a my friend” of “a friend of me” zeggen.
Tuan is an old friend of mine.
Tuan is een oude vriend van me.
I met a cousin of yours at the wedding.
Ik heb op de bruiloft een neef van jou ontmoet.
my own, your own, his own… betekent dat iets alleen van die persoon is — niet gedeeld of geleend (“mijn eigen”). own staat altijd na een bezittelijk woord.
I finally have my own room.
Eindelijk heb ik mijn eigen kamer.
She wants to start her own business.
Ze wil haar eigen bedrijf beginnen.
Bring your own water bottle.
Neem je eigen waterfles mee.
In het Nederlands zeg je “een vriend van mij” — letterlijk vertaald wordt dat “a friend of me”, en dat is fout. In het Engels is het a friend of mine (met de zelfstandige vorm). En “mijn vriend” is gewoon my friend.
6.Veelgemaakte fouten
Can you help I?Can you help me?
Na een werkwoord gebruik je een voorwerpsvorm.
This is mine book.This is my book.
Er volgt een zelfstandig naamwoord → my.
That bag is my.That bag is mine.
Er volgt geen zelfstandig naamwoord → mine.
Lan lives with his parents.Lan lives with her parents.
Lan is een vrouw → her (het volgt de bezitter).
Hoa is a friend of me.Hoa is a friend of mine.
Het patroon is a friend of mine.
The dog is wagging it's tail.The dog is wagging its tail.
it's = it is; de bezittelijke vorm is its.
Voorbeelden
- Can you help me? I can't open this window.
- Is this your phone? — No, it isn't mine. Mine is black.
- My brother and I love football. Dad often takes us to matches.
- Lan and Tuan have a new car. Their car is red.
