Les 22 · Etappe 2: Alledaagse woorden: voornaamwoorden, lidwoorden, voorzetsels
Voorzetsels van tijd: at / on / in
BeginnerPrepositions of time: at / on / in
Vorm & gebruik
at 7 o'clock, on Monday, in the morning / in 2020 — welk woord bij welke tijd hoort
1.At, on, in — welke wanneer?
Het Engels gebruikt voor tijd drie verschillende woorden: at voor een klein, precies moment; on voor dagen; in voor langere periodes.
| Voorzetsel | Gebruikt voor | Voorbeelden |
|---|---|---|
| at | kloktijden, precieze momenten | at 7 o'clock, at 6:30, at noon, at midnight, at lunchtime, at sunset |
| on | dagen, datums, bijzondere dagen | on Monday, on 2 September, on my birthday, on New Year's Day |
| in | dagdelen, maanden, seizoenen, jaren, decennia, eeuwen | in the morning, in July, in (the) summer, in 2020, in the 1990s, in the 21st century |
My English class starts at half past six.
Mijn Engelse les begint om half zeven.
My parents visit us on Sundays.
Mijn ouders komen op zondag bij ons langs.
My grandparents got married in 1975.
Mijn opa en oma zijn in 1975 getrouwd.
It's really hot in Saigon in April.
In april is het echt heet in Saigon.
Ezelsbruggetje: denk aan een trechter — in is het breedst (jaren, maanden, seizoenen), on is smaller (één dag), at is het kleinst (één moment). Een datum met een maand is nog steeds één dag, dus on: on 5 July, niet in 5 July.
2.Uitdrukkingen om uit je hoofd te leren
- in the morning / in the afternoon / in the evening — maar at night.
- at the weekend (Brits-Engels) = on the weekend (Amerikaans-Engels) — niet “in the weekend” zoals in het Nederlands.
- at Christmas, at Easter, at Tet (de hele feestperiode) — maar on Christmas Day, on New Year's Eve (één bepaalde dag).
- at the moment (= nu), at the same time (= tegelijk).
- at the beginning of / at the end of the month — zie ook de les “On time / in time, at the end / in the end”.
- Datums: in het Brits-Engels schrijf je on 5 July, in het Amerikaans-Engels on July 5; uitgesproken zeg je on the fifth of July of on July fifth.
My dad works at night and sleeps during the day.
Mijn vader werkt 's nachts en slaapt overdag.
What are you doing at the weekend?
Wat ga je dit weekend doen?
Families get together at Tet.
Met Tet komen families samen.
Sorry, I'm busy at the moment.
Sorry, ik ben op dit moment bezig.
3.Dagdeel met een bepaalde dag
Op zichzelf is het in the morning, maar als er een dag of datum genoemd wordt, gebruik je on: on Monday morning, on Friday evening, on the morning of 10 May.
I usually do yoga in the morning.
Ik doe 's ochtends meestal yoga.
Let's play badminton on Saturday morning.
Laten we zaterdagochtend badminton spelen.
Do you work on Sunday evenings?
Werk je op zondagavond?
4.Wanneer je geen voorzetsel gebruikt
Gebruik geen at / on / in vóór next, last, this, every, of vóór today, tomorrow, yesterday, tonight.
See you next Friday.
Tot volgende week vrijdag. (niet: on next Friday)
We went to Da Lat last summer.
Vorige zomer zijn we naar Da Lat gegaan. (niet: in last summer)
I go swimming every Thursday.
Ik ga elke donderdag zwemmen.
Are you free tomorrow afternoon?
Heb je morgenmiddag tijd?
In informele spreektaal, vooral in het Amerikaans-Engels, laten mensen on vóór dagen vaak weg: See you Friday. = See you on Friday. Allebei goed; twijfel je, gebruik dan on.
5.In + periode: hoe lang vanaf nu
In + een tijdsduur betekent ook “na zoveel tijd, gerekend vanaf nu” — het Nederlandse “over”: over tien minuten = in ten minutes, over twee weken = in two weeks, zo meteen = in a moment. Het kan ook zeggen hoe lang iets duurt.
The bus will be here in five minutes.
De bus is er over vijf minuten. (niet: after five minutes)
My cousin is getting married in two months.
Mijn neef gaat over twee maanden trouwen.
He learned to ride a bike in one day.
Hij leerde in één dag fietsen. (hoe lang het duurde)
6.Veelgemaakte fouten
I study best at the morning.I study best in the morning.
Dagdelen krijgen in (behalve at night).
My sister's wedding is on October.My sister's wedding is in October.
Maanden krijgen in.
The concert is in 20 May.The concert is on 20 May.
Een bepaalde datum krijgt on.
We have a meeting on next Monday.We have a meeting next Monday.
Geen voorzetsel vóór next / last / this / every.
The train leaves in 8:15.The train leaves at 8:15.
Kloktijden krijgen at.
I'll call you after ten minutes.I'll call you in ten minutes.
“Zoveel tijd vanaf nu” (over) is in.
Voorbeelden
- The film starts at 8 o'clock.
- My birthday is in July.
- We moved to Da Nang in 2019.
- The shop closes at midnight.
