Les 3 · Etappe 1: De basis
“Have got”
BeginnerVorm & gebruik
have/has got + zelfstandig naamwoord — iets hebben of bezitten
1.Have en have got betekenen hetzelfde
Voor bezit, familie, uiterlijk, ziektes of afspraken kun je have of have got gebruiken — de betekenis is hetzelfde. Have got hoor je vaak in gesproken Brits Engels; Amerikanen zeggen vaker have.
We've got a new car. = We have a new car.
We hebben een nieuwe auto.
Minh has got two sisters.
Minh heeft twee zussen.
She's got long curly hair.
Ze heeft lang krullend haar.
I've got a sore throat.
Ik heb keelpijn.
I have a dentist appointment at four.
Ik heb om vier uur een afspraak bij de tandarts.
2.Vormen
| have got | have | |
|---|---|---|
| Bevestigend | I/you/we/they've got · he/she/it's got | I/you/we/they have · he/she/it has |
| Ontkennend | haven't got · hasn't got | don't have · doesn't have |
| Vraag | Have you got…? · Has she got…? | Do you have…? · Does she have…? |
| Kort antwoord | Yes, I have. / No, she hasn't. | Yes, I do. / No, she doesn't. |
's kan is of has zijn: He's got a cold = He has got a cold; He's cold = He is cold. Komt er “got” achter, dan is het has.
Meng de twee patronen niet: dus niet “Do you have got…?” of “I don't have got…”.
3.Verleden tijd: had
In de verleden tijd gebruik je had (meestal zonder got). Vragen en ontkenningen maak je met did / didn't have.
I had a bike when I was a kid.
Als kind had ik een fiets.
We didn't have much money back then.
Toen hadden we niet veel geld.
Did you have a good weekend?
Heb je een fijn weekend gehad?
4.Have voor handelingen — niet have got
Have gebruik je ook voor dingen die je doet of meemaakt. In die betekenis kan have got niet, maar kan de continuous wel (-ing), en vragen/ontkenningen maak je met do/does/did.
- eten en drinken: have breakfast / lunch / dinner / a coffee / a snack
- rust en dagelijkse dingen: have a shower / a bath / a rest / a break / a nap
- ervaringen: have a good time / fun / a party / a problem / an accident / a dream
- andere activiteiten: have a look / a chat / a meeting / a lesson
We usually have dinner at seven.
We eten meestal om zeven uur.
Can I call you back? I'm having lunch.
Kan ik je terugbellen? Ik zit te lunchen.
I don't usually have breakfast.
Ik ontbijt meestal niet.
Did you have fun at the party?
Was het leuk op het feest?
5.Veelgemaakte fouten
I'm having a car.I have a car. / I've got a car.
Bezit zet je niet in de continuous.
She have got a dog.She has got a dog.
he/she/it → has.
Do you have got a pen?Have you got a pen? / Do you have a pen?
Combineer do niet met have got.
I've got breakfast at 7.I have breakfast at 7.
Have voor handelingen krijgt nooit got.
I had got a bike when I was young.I had a bike when I was young.
Bezit in het verleden: had.
Voorbeelden
- My sister has got a beautiful singing voice.
- Have you got a pen I can borrow?
- We haven't got any milk. Can you buy some?
- Has he got a girlfriend?
