Les 37 · Etappe 3: Plannen, verzoeken & vergelijken
Onderwerps- en voorwerpsvragen
BeginnerSubject and object questions
Vorm & gebruik
Who called you? vs Who did you call? — als who/what het onderwerp is, geen do/does/did
1.Twee soorten vragen met who / what
Who en what kunnen vragen naar het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert) of naar het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat). De twee soorten worden verschillend gebouwd.
| Mededelende zin | Onderwerpsvraag | Voorwerpsvraag |
|---|---|---|
| Lan called Minh. | Who called Minh? — Lan. | Who did Lan call? — Minh. |
| Nam ate my sandwich. | Who ate your sandwich? — Nam. | What did Nam eat? — My sandwich. |
| Mai loves cats. | Who loves cats? — Mai. | What does Mai love? — Cats. |
| The storm damaged the roof. | What damaged the roof? — The storm. | What did the storm damage? — The roof. |
- Onderwerpsvraag: Who / What + werkwoord (zoals in een mededelende zin). Geen do / does / did.
- Voorwerpsvraag: Who / What + do / does / did + onderwerp + grondvorm — zoals een gewone vraag.
2.Onderwerpsvragen
Het vraagwoord neemt de plaats van het onderwerp in, dus de woordvolgorde blijft hetzelfde als in een mededelende zin: je vervangt alleen het onderwerp door who / what. Het werkwoord houdt zijn tijd — -s in de present simple, de verledentijdsvorm in de past simple.
Who lives in that big house on the corner?
Wie woont er in dat grote huis op de hoek?
What happened? Why is everyone shouting?
Wat is er gebeurd? Waarom schreeuwt iedereen?
Who taught you to swim?
Wie heeft jou leren zwemmen?
Which bus goes to the airport?
Welke bus gaat naar het vliegveld?
How many people came to the party?
Hoeveel mensen kwamen er naar het feest?
- Hetzelfde geldt voor which / whose / how many + zelfstandig naamwoord als die woordgroep het onderwerp is.
- Who / what als onderwerp krijgen meestal een werkwoord in het enkelvoud, ook als het antwoord meerdere mensen zijn: Who wants more rice? (niet Who want…?).
- Het hulpwerkwoord dat bij de tijd hoort, blijft staan; je voegt alleen geen do / does / did toe: Who is coming tonight? · Who can help me? · Who has seen my keys?
3.Voorwerpsvragen
Als het vraagwoord het lijdend voorwerp is, bouw je de vraag zoals elke andere: vraagwoord + hulpwerkwoord + onderwerp + werkwoord. In de enkelvoudige tijden is het hulpwerkwoord do / does / did.
Who did you meet at the party?
Wie heb je op het feest ontmoet?
What did you buy at the market yesterday?
Wat heb je gisteren op de markt gekocht?
What does this word mean?
Wat betekent dit woord?
Who are you waiting for?
Op wie wacht je?
Als het vraagwoord bij een voorzetsel hoort, staat het voorzetsel meestal aan het eind: Who are you talking to? What are you looking at? To whom…? is alleen voor formeel schrijven.
4.Naast elkaar
Who told you? — My sister told me.
Wie heeft het je verteld? — Mijn zus heeft het me verteld. (vraag naar wie het vertelde)
Who did you tell? — I told my sister.
Aan wie heb je het verteld? — Ik heb het aan mijn zus verteld. (vraag naar de luisteraar)
What made you so angry?
Waar werd je zo boos van?
What did you make for dinner?
Wat heb je gemaakt voor het avondeten?
Vraag jezelf af: is het vraagwoord degene die het doet? Zo ja (Who called you?), dan geen do / does / did. Doet iemand anders het (Who did you call?), zet dan do / does / did vóór die persoon.
Soms hoor je Who did break it? met een beklemtoond did — bij ruzie of als iemand op een antwoord aandringt. Dat is speciale nadruk; een gewone onderwerpsvraag heeft geen did.
5.Veelgemaakte fouten
Who did break the vase?Who broke the vase?
Onderwerpsvraag: geen did.
What did happen to your car?What happened to your car?
What is het onderwerp: geen did.
Who live next door to you?Who lives next door to you?
Who als onderwerp → werkwoord in het enkelvoud met -s.
Who you are waiting for?Who are you waiting for?
Voorwerpsvraag: het hulpwerkwoord staat vóór het onderwerp.
Who you called last night?Who did you call last night?
Een voorwerpsvraag in de past simple heeft did nodig.
What did make you so angry?What made you so angry?
What is het onderwerp: geen did.
Voorbeelden
- Who lives in that big house on the corner?
- What happened? Why is everyone shouting?
- Who ate my sandwich? It was in the fridge.
- Who did you meet at the party? Anyone interesting?
