Les 98 · Etappe 8: Bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden & voorzetsels
Werkwoord + voorzetsel
GemiddeldVerb + preposition
Vorm & gebruik
depend on, listen to, wait for, deal with — werkwoorden met een vast voorzetsel
1.Het patroon
Veel werkwoorden hebben een vast voorzetsel nodig vóór hun lijdend voorwerp: werkwoord + voorzetsel + lijdend voorwerp. Is er geen lijdend voorwerp, dan valt het voorzetsel weg. In vragen staat het voorzetsel meestal aan het eind.
| Patroon | Voorbeeld |
|---|---|
| werkwoord + voorzetsel + lijdend voorwerp | I'm waiting for the bus. |
| geen lijdend voorwerp → geen voorzetsel | Wait here. / Listen! |
| vraag: voorzetsel aan het eind | Who are you talking to? |
| werkwoord + lijdend voorwerp + voorzetsel | She thanked me for the gift. |
Our plans depend on the weather.
Onze plannen hangen af van het weer.
Does this bag belong to you?
Is deze tas van jou?
I don't know how to deal with this problem.
Ik weet niet hoe ik dit probleem moet aanpakken.
What are you looking at?
Waar kijk je naar?
2.Veelvoorkomende combinaties van werkwoord + voorzetsel
| Voorzetsel | Werkwoorden | Voorbeeld |
|---|---|---|
| to | listen / talk / speak / belong / happen / reply / apologise to | Can I talk to you for a minute? |
| for | wait / look / pay / ask / apply / search for | Who's going to pay for dinner? |
| at | look / laugh / stare / smile / point at | Please don't laugh at me. |
| on | depend / rely / count / concentrate / insist on | You can always count on me. |
| about | think / talk / worry / complain / dream / know about | Don't worry about the exam. |
| of | think / dream / hear / consist of | Have you heard of this band? |
| from | suffer / recover / hear from (nieuws krijgen) | My grandmother suffers from back pain. |
| with | agree / deal / argue / share with | I don't agree with you. |
| in | believe / succeed / specialise in | Do you believe in ghosts? |
3.Werkwoord + lijdend voorwerp + voorzetsel
Bij sommige werkwoorden komt het lijdend voorwerp (vaak een persoon) direct na het werkwoord, en daarna het voorzetsel.
- thank sb for sth
- apologise to sb for sth
- explain / describe sth to sb
- ask sb for sth
- remind sb of sth (iemand aan iets doen denken); remind sb about sth (iemand eraan herinneren iets niet te vergeten)
- spend money / time on sth
- protect sb / sth from sth
Thank you for your help.
Bedankt voor je hulp.
Minh apologised to the teacher for being late.
Minh bood de docent zijn excuses aan omdat hij te laat was.
Can you explain this word to me?
Kun je me dit woord uitleggen?
I asked my boss for a day off.
Ik heb mijn baas om een vrije dag gevraagd.
You remind me of my sister.
Jij doet me aan mijn zus denken.
She spends a lot of money on clothes.
Ze geeft veel geld uit aan kleding.
4.Ander voorzetsel, andere betekenis
| Werkwoord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| look at | je ogen richten op | Look at this photo. |
| look for | proberen te vinden | I'm looking for my keys. |
| look after | zorgen voor | Who looks after your dog? |
| think about | overwegen, nadenken over | I'm thinking about changing jobs. |
| think of | op een idee komen, een naam bedenken | I can't think of a good name. |
| hear about | over iets horen | Did you hear about the accident? |
| hear from | nieuws krijgen van iemand | I haven't heard from Lan for months. |
| agree with / to / on | het eens zijn met iemand · instemmen met een voorstel · samen iets afspreken | I agree with you. / He agreed to the plan. / We agreed on a date. |
| shout at / shout to | boos schreeuwen tegen · roepen zodat iemand het hoort | Don't shout at me! / She shouted to us from the window. |
Om naar een mening te vragen, zijn allebei goed: What do you think of / about my new haircut?
5.Werkwoorden ZONDER voorzetsel
Aan de andere kant krijgen veel werkwoorden hun lijdend voorwerp direct, zonder voorzetsel — ook al lijkt een voorzetsel logisch.
| Goed | Niet | Betekenis |
|---|---|---|
| discuss the plan | discuss about the plan | praten over |
| enter the room | enter into the room | naar binnen gaan |
| marry someone | marry with someone | man/vrouw worden van |
| answer the question | answer to the question | antwoorden op |
| phone / call your mum | phone to your mum | bellen |
| reach the station | reach to the station | aankomen op/bij |
| tell me the truth | tell to me the truth | zeggen tegen iemand |
| contact us | contact with us | in contact komen met |
- De bijbehorende zelfstandige naamwoorden krijgen wel een voorzetsel: a discussion about, an answer to, contact with; en get married to (zie de les “Zelfstandig naamwoord + voorzetsel”).
- arrive in + een stad of land; arrive at + een gebouw of plek (station, airport, hotel). Niet “arrive to”.
- arrive / get / go home: geen voorzetsel vóór home.
- meet iemand heeft geen with nodig; meet with (vooral Amerikaans) gebruik je voor formele vergaderingen.
Let's discuss the plan for Tet.
Laten we het plan voor Tet bespreken.
Everyone stood up when the teacher entered the room.
Iedereen stond op toen de docent het lokaal binnenkwam.
My aunt married a man from Hue last year.
Mijn tante is vorig jaar getrouwd met een man uit Hue.
Call me when you arrive at the station.
Bel me als je op het station aankomt.
Nederlandstaligen zetten vaak een voorzetsel waar het Engels er geen heeft (discuss about ← discussiëren over, marry with ← trouwen met) of vergeten het waar het Engels er wel een nodig heeft (wait for ← wachten op, listen to ← luisteren naar, explain me ← mij uitleggen). Onthoud: discuss / marry / enter krijgen een direct lijdend voorwerp, maar explain heeft to nodig: explain to me.
6.Veelgemaakte fouten
I'm waiting you in front of the cinema.I'm waiting for you in front of the cinema.
wait for + persoon/ding.
Every night I listen music before bed.Every night I listen to music before bed.
listen to + lijdend voorwerp.
We discussed about the trip.We discussed the trip.
discuss krijgt geen voorzetsel.
Can you explain me what this word means?Can you explain to me what this word means?
explain (sth) to sb; niet explain me.
She married with a man from Hue.She married a man from Hue.
marry + persoon, zonder with.
It depends of the price.It depends on the price.
depend on.
Voorbeelden
- I like to listen to music on the bus.
- Can you wait for me outside the school?
- Our plans depend on the weather.
- Excuse me, does this bag belong to you?
