Les 17 · Etappe 2: Alledaagse woorden: voornaamwoorden, lidwoorden, voorzetsels
This / that / these / those, one / ones
BeginnerVorm & gebruik
this book, those shoes, the blue one — naar dingen dichtbij en ver weg wijzen zonder het woord te herhalen
1.This / that / these / those
Deze vier woorden wijzen naar personen of dingen. Je kiest door twee vragen te stellen: is het dichtbij of ver weg van de spreker, en is het één of meer?
| Dichtbij (here) | Ver weg (there) | |
|---|---|---|
| Enkelvoud / ontelbaar | this | that |
| Meervoud | these | those |
Ze kunnen vóór een zelfstandig naamwoord staan (this bag) of op zichzelf (This is heavy).
This bag is really heavy.
Deze tas is echt zwaar.
Look at those clouds! It's going to rain.
Kijk eens naar die wolken! Het gaat regenen.
These are my parents.
Dit zijn mijn ouders.
Is that your car over there?
Is dat jouw auto daar?
Let op de klanken: this /ðɪs/ heeft een korte klinker en eindigt op /s/; these /ðiːz/ heeft een lange klinker en eindigt op /z/. Net zo that /ðæt/ en those /ðəʊz/. Spreek de eindklank duidelijk uit — daaraan hoort de luisteraar of je één ding bedoelt of meer. En let op: het Nederlandse “deze” is niet altijd these — deze tas = this bag, want these is alleen meervoud.
2.Andere toepassingen
1. Iemand voorstellen, en aan de telefoon zeggen wie je bent — gebruik this
Mum, this is my friend Hoa.
Mam, dit is mijn vriendin Hoa.
Hello, this is Minh from the dental clinic.
Hallo, u spreekt met Minh van de tandartspraktijk.
2. Tijd: this voor nu of de nabije toekomst (this morning, this week), that voor een moment in het verleden (that day, at that time)
I'm really busy this week.
Ik heb het deze week echt druk.
I still remember that day.
Ik herinner me die dag nog goed.
3. that voor iets wat de ander net heeft gezegd of gedaan
Let's order pizza. — That's a great idea!
Laten we pizza bestellen. — Dat is een goed idee!
Thanks for the lift. That was really kind of you.
Bedankt voor de lift. Dat was echt aardig van je.
3.One / ones — het zelfstandig naamwoord niet herhalen
Als duidelijk is waar je het over hebt, gebruik je one in plaats van een telbaar zelfstandig naamwoord in het enkelvoud en ones in plaats van een meervoud.
I don't like the red shirt. I prefer the blue one.
Ik vind het rode overhemd niet mooi. Ik heb liever het blauwe.
These shoes are too small. Do you have any bigger ones?
Deze schoenen zijn te klein. Heeft u ook grotere?
Which one do you want? — That one, please.
Welke wil je? — Die daar, alsjeblieft.
My phone is really old. I need a new one.
Mijn telefoon is echt oud. Ik heb een nieuwe nodig.
- Een bijvoeglijk naamwoord kan niet in zijn eentje een zelfstandig naamwoord vervangen: a new one (niet a new), the big ones. In het Nederlands is “een nieuwe” genoeg, in het Engels niet.
- this one / that one zijn heel gewoon. In het meervoud zijn these / those alleen genoeg; these ones / those ones hoor je in spreektaal ook vaak, vooral in het Brits-Engels.
- one/ones vervangen alleen telbare zelfstandige naamwoorden. Bij ontelbare laat je het zelfstandig naamwoord weg of herhaal je het: I prefer brown rice to white (niet white one).
Zie one als “het ding”: the blue one = het blauwe ding waar we het over hebben, a bigger one = een groter ding van dezelfde soort.
4.One of it?
a new one / one = een willekeurig ding van dezelfde soort. it / them = precies dat ding dat je noemde.
I lost my umbrella, so I bought a new one.
Ik was mijn paraplu kwijt, dus heb ik een nieuwe gekocht. (een andere paraplu)
I lost my umbrella, but I found it the next day.
Ik was mijn paraplu kwijt, maar de volgende dag vond ik hem terug. (dezelfde paraplu)
I need a pen. Have you got one?
Ik heb een pen nodig. Heb jij er een?
5.Veelgemaakte fouten
I love this flowers.I love these flowers.
Meervoud → these.
Look at that birds!Look at those birds!
Meervoud en ver weg → those.
My bike is broken, so I need a new.My bike is broken, so I need a new one.
Na een bijvoeglijk naamwoord heb je one nodig.
She is my friend Hoa.This is my friend Hoa.
Om iemand voor te stellen zeg je This is…
I lost my keys and I can't find ones.I lost my keys and I can't find them.
Dezelfde sleutels → them.
These are cheaper than that ones.These are cheaper than those (ones).
Meervoud → those.
Voorbeelden
- Look at those birds over there in the tree!
- These shoes I'm wearing are new.
- These books on my desk are for you.
- I don't like the green shirt. Can I try the blue one?
