Les 65 · Etappe 5: Passief, indirecte rede & vragen
Indirecte rede
GemiddeldReported speech
Vorm & gebruik
said / told iemand (that) + zin, asked if — navertellen wat iemand zei
1.Directe en indirecte rede
De directe rede herhaalt de precieze woorden tussen aanhalingstekens. De indirecte rede geeft de inhoud weer zonder aanhalingstekens: said / told + (that) + bijzin. That mag je weglaten, vooral in de spreektaal. Vergeet niet de voornaamwoorden aan te passen.
“I'm tired,” Minh said. → Minh said (that) he was tired.
“Ik ben moe,” zei Minh. → Minh zei dat hij moe was.
“I've lost my keys,” Lan told me. → Lan told me she had lost her keys.
“Ik ben mijn sleutels kwijt,” zei Lan tegen me. → Lan vertelde me dat ze haar sleutels kwijt was.
2.De tijd een stap terugzetten
Staat het inleidende werkwoord in het verleden (said, told, asked), dan schuift het werkwoord in de bijzin meestal één stap verder terug in het verleden.
| Direct → indirect | Gesproken woorden | Indirecte rede |
|---|---|---|
| present simple → past simple | “I live in Hue.” | She said she lived in Hue. |
| present continuous → past continuous | “I'm cooking dinner.” | He said he was cooking dinner. |
| present perfect → past perfect | “I've seen the film.” | He said he had seen the film. |
| past simple → past perfect (of geen verandering) | “I bought it online.” | She said she had bought it online. / She said she bought it online. |
| will → would | “I'll call you.” | He said he would call me. |
| can → could | “I can help.” | She said she could help. |
| must → had to (of must blijft) | “I must leave before ten.” | She said she had to leave before ten. |
| am/is/are going to → was/were going to | “I'm going to visit my grandparents.” | He said he was going to visit his grandparents. |
| may → might | “It may rain.” | They said it might rain. |
Would, could, should, might, ought to en de past perfect blijven hetzelfde.
Vraag je na said / told af wanneer de woorden gezegd zijn. Was dat in het verleden en is de situatie voorbij, zet de tijd dan een stap terug — net als in het Nederlands (Minh zei dat hij moe was): Minh said he was tired (niet: is tired).
3.Wanneer je de tijd niet terug hoeft te zetten
1. Het inleidende werkwoord staat in de tegenwoordige tijd (says, tells, has said) — vaak als je een bericht meteen doorgeeft, of zegt wat iemand altijd zegt
My brother says he lost his wallet on the bus this morning.
Mijn broer zegt dat hij vanochtend in de bus zijn portemonnee kwijtgeraakt is.
The weather forecast says it's going to rain all weekend.
Volgens de weersverwachting gaat het het hele weekend regenen.
2. Het is nu nog steeds waar — je kunt de tijd terugzetten of laten staan
Lan said she lives in Da Nang. / Lan said she lived in Da Nang.
Lan zei dat ze in Da Nang woont / woonde. (ze woont er nog steeds → allebei goed)
The receptionist told us that the pool closes at nine.
De receptioniste vertelde ons dat het zwembad om negen uur dichtgaat.
3. Maar je moet hem wel terugzetten als het niet meer waar is, of anders is dan de echte situatie nu
You said you didn't like durian, but you've eaten three pieces!
Je zei dat je durian niet lekker vond, maar je hebt al drie stukken op! (niet: you don't like)
4.Woorden voor tijd en plaats veranderen
Vertel je het na op een andere dag of op een andere plek, dan veranderen de woorden voor tijd en plaats ook. Is het nog dezelfde dag en plek, dan blijven ze hetzelfde.
| Direct | Indirect (op een andere dag of andere plek) |
|---|---|
| today / tonight | that day / that night |
| tomorrow | the next day / the following day |
| yesterday | the day before / the previous day |
| next week | the following week / the week after |
| last week | the week before / the previous week |
| … ago | … before / … earlier |
| now | then / at that time |
| here / this | there / that |
Last week Nam said, “I'll call you tomorrow.” → Last week Nam said he would call me the next day.
Vorige week zei Nam: “Ik bel je morgen.” → Vorige week zei Nam dat hij me de volgende dag zou bellen.
5.Say of tell
- tell + persoon (je moet zeggen wie het hoorde): She told me (that) she was busy. Niet “told that…” of “told to me”.
- say + (that) + bijzin, zonder luisteraar direct erna: She said (that) she was busy. Wil je de luisteraar noemen, gebruik dan say to + persoon: He said to me that… (minder gebruikelijk dan told me).
- Vaste combinaties: tell the truth / a lie / a story / a joke / the time; say hello / goodbye / sorry / something / no.
- Andere inleidende werkwoorden: explain (to sb) that, promise (that), warn sb that, admit that, complain that, agree that.
The waiter told us that the kitchen was closed.
De ober vertelde ons dat de keuken dicht was.
She promised she would never be late again.
Ze beloofde dat ze nooit meer te laat zou komen.
The guide warned us that the path was slippery.
De gids waarschuwde ons dat het pad glad was.
6.Vragen en verzoeken weergeven
Een weergegeven vraag wordt een mededelende zin: het onderwerp staat vóór het werkwoord, do / does / did verdwijnen, er komt geen vraagteken, en de tijd gaat toch een stap terug.
- Vragen met een vraagwoord: asked (+ persoon) + vraagwoord + onderwerp + werkwoord.
- Ja/nee-vragen: asked (+ persoon) + if / whether + onderwerp + werkwoord.
- Verzoeken en bevelen: asked / told + persoon + (not) to + werkwoord — zie de les “Werkwoord + persoon + to-infinitief”.
“Where do you live?” → She asked me where I lived.
“Waar woon je?” → Ze vroeg me waar ik woonde.
“Where did you buy this jacket?” → My friend asked me where I had bought that jacket.
“Waar heb je deze jas gekocht?” → Mijn vriend vroeg me waar ik die jas had gekocht.
“Are you cooking?” → Mai asked if I was cooking.
“Ben je aan het koken?” → Mai vroeg of ik aan het koken was.
“Please wait here.” → The nurse asked us to wait there.
“Wacht u hier alstublieft.” → De verpleegkundige vroeg ons daar te wachten.
“Don't touch it!” → He told me not to touch it.
“Niet aankomen!” → Hij zei dat ik het niet mocht aanraken.
Beleefde vragen zoals Do you know where… is? hebben ook de woordvolgorde van een mededelende zin, maar zonder dat de tijd terug gaat — zie de les “Indirecte vragen”.
7.Veelgemaakte fouten
She said me she was hungry.She told me she was hungry.
Na say kan de luisteraar niet direct volgen; gebruik tell + persoon.
She told that she was busy.She said that she was busy.
tell heeft altijd een luisteraar nodig: told me / told him.
The waiter told to us that the kitchen was closed.The waiter told us that the kitchen was closed.
tell + persoon, zonder to.
He asked me where was the bus station.He asked me where the bus station was.
Weergegeven vragen hebben de woordvolgorde van een mededelende zin.
Nam asked me did I want to join his team.Nam asked me if I wanted to join his team.
Ja/nee-vragen → if/whether, zonder did.
My boss said he will give me a day off, but he forgot.My boss said he would give me a day off, but he forgot.
De belofte ligt in het verleden en is niet nagekomen → will wordt would.
Voorbeelden
- She asked me if I liked spicy food.
- My grandfather told me he was a farmer when he was young.
- Minh said he was tired, so he went to bed early.
- She told me that she had lost her keys.
